PEDAGOGISCH
BELEIDSPLAN
INHOUDSOPGAVE PEDAGOGISCH BELEIDSPLAN
1. Uitgangspunten pedagogisch beleid
2. Beleidsontwikkeling
3. Bemiddelingsbeleid
4. Ouderbeleid
5. Protocollen
6. Bijlagen
1. Uitgangspunten pedagogisch beleid
Het pedagogisch beleid van gastouderbureau OZIZO is gebaseerd op de volgende uitgangspunten die als richtlijn kunnen worden gehanteerd:
• Bieden van veiligheid en geborgenheid aan gastkinderen;
• Recht doen aan de eigenheid van kinderen;
• Stimuleren van het zelfvertrouwen van het gastkind;
• Bevorderen van de zelfstandigheid van het gastkind;
• Stimuleren van het sociaal gedrag en het gevoel van het gastkind;
• Het gastkind om leren gaan met emoties;
• Het overdragen van waarde en normen aan het gastkind.
Bovengenoemde uitgangspunten worden hieronder nader uitgewerkt en zijn ingekaderd in het bemiddelingsbeleid (paragraaf 3) en het ouderbeleid (paragraaf 4), waarbij naar een kwalitatief optimale opvang wordt gestreefd. Hierbij geldt uiteraard dat de uitvoering van het pedagogisch beleid zoveel mogelijk in afstemming met en in onderling overleg tussen vraagouder en gastouder plaatsvindt.
1.1. Veiligheid en geborgenheid.
Veiligheid en geborgenheid hebben veel te maken met de sfeer die een gastouder naar het kind toe uitstraalt. De warmte en de hartelijkheid waarop het kind wordt benaderd geeft een kind een veilig en geborgen gevoel.
Door de dag in stukjes te delen, op vaste tijden koffiepauze en lunchen, voor te lezen of te gaan wandelen biedt de gastouder het kind structuur en regelmaat. Dit geeft een kind vertrouwen omdat het weet wat er komen gaat en heeft hierdoor een rustgevend effect op het kind. Bij baby's is het gewenst zoveel mogelijk aan te sluiten op het ritme van het kind zelf.
Wanneer het kind voelt dat de gastouder ingrijpt indien dat nodig is en dan corrigerend of sturend optreedt weet het kind dat hij of zij op de gastouder kan rekenen. Dit biedt het kind een vertrouwde basis om zich te kunnen ontplooien en het leven en de anderen om hem of haar heen te leren kennen zonder het gevoel te hebben echt losgelaten te worden of niet terug te kunnen vallen op een volwassene.
Wild en druk gedrag kunnen worden onderbrokken door samen een rustige activiteit te ondernemen. Bijvoorbeeld het samen drinken van een glaasje limonade, een leuke tekenfilm te gaan bekijken of een wandeling te gaan maken. Dit heeft meestal meer effect dan over het lawaai heen kinderen tot rust proberen te manen.
Bij de start van de opvang dient het kind alle tijd gegeven worden om te wennen. Indien dit mogelijk is, wordt de opvang het beste langzaam opgebouwd. Het is een goede zaak dat de vraagouder in het begin de tijd te neemt bij het brengen van het kind. Samen de tas uitpakken en nog een boekje lezen of een spelletje doen geeft rust. Bij kleine kinderen doet de eigen vertrouwde knuffel wonderen. Dit troostende voorwerp biedt houvast in een onzekere of enge situatie. Loslaten is ook iets dat een kind moet leren en dit kost net zoveel moeite als bij volwassene. Het hoort er nu eenmaal bij en wanneer het kind de tijd wordt gegund groeit bij het kind al vlug het besef dat dit niet het einde van de wereld is. Dit is belangrijk bij de processen welke het kind gedurende zijn of haar leven zal meemaken.
1.2 Recht doen aan de eigenheid van het kind.
Kinderen zijn verschillend: individuele persoontjes die ook een individuele benadering nodig hebben. Afhankelijk van aanleg, temperament en thuismilieu, de leeftijds- en ontwikkelingsfase heeft elk kind zijn of haar eigen mogelijkheden. Het is belangrijk hier positief op in te spelen en elk kind het waardevolle gevoel te geven welkom te zijn.
Ook dient rekening te worden gehouden met wat het kind kan. Het thuismilieu kan afwijken van het milieu van het gastoudergezin. Mensen verschillen nu eenmaal van elkaar en stellen andere prioriteiten in het leven. Het is belangrijk dit te realiseren en het gastkind en zijn of haar omgeving in hun waarde te laten. Op- of aanmerkingen hierover in het bijzijn van het gastkind gaan aan het kind meestal niet voorbij. Kinderen zijn vaak heel opmerkzaam. Wanneer hiermee rekening wordt gehouden krijgt het kind het ‘gereedschap’ mee zich als een positieve zelfstandig individu in onze samenleving te ontwikkelen.
1.3 Het stimuleren van zelfvertrouwen.
Door complimenten en het benadrukken van positief gedrag krijgen kinderen het gevoel dat ze de moeite waard zijn en wordt gebouwd aan een positief zelfbeeld. Dit is belangrijk bij het ontplooien van talenten en bevordert sociaal gedrag naar anderen.
1.4 Het bevorderen van zelfstandigheid.
Het is belangrijk dat kinderen leren om zelf dingen te doen. Hierdoor ervaart het kind wat het zelf kan. Kinderen leren op deze wijze oorzaak en gevolg kennen en ontwikkelen hiermee zelfvertrouwen. Ze krijgen grip op de wereld om zich heen, ontwikkelen inzicht en leren verbanden te leggen. Ook hierbij is het weer van belang rekening te houden met de individuele mogelijkheden van elk kind.
1.5 Stimuleren van sociaal gedrag en sociaal gevoel.
Een kind ontwikkelt zijn of haar geweten door het leren begrijpen van emoties die het bij een ander teweegbrengt. Een kind moet leren dat ook een ander kind complimenten kan krijgen over verworvenheden. Een goed voorbeeld met de nodige uitleg en corrigerend optreden indien nodig is hiervoor vereist. Ook hiermee leert het kind oorzaak en gevolg. Samen leren spelen en samen delen is hierbij een belangrijk middel.
1.6 Leren omgaan met emoties.
Het is belangrijk dat kinderen manieren vinden om hun emoties op een goede manier te uiten. Emoties zoals boosheid, verlegenheid en blijdschap horen bij het leven. Deze gevoelens dienen altijd serieus te worden genomen. Wél is van belang wel bij te sturen wanneer de uiting van dergelijke gevoelens een ongepaste omvang aanneemt.
1.7 Overdragen van normen en waarden.
Respect voor elkaar en elkaars ideeën zijn belangrijke elementen in de opvoeding. Hoe we omgaan met elkaar en rekening houden met elkaars grenzen en gevoelens, geeft kinderen een duidelijk beeld van onze eigen normen en waarden. Grenzen stellen door middel van straffen en belonen is hierbij een belangrijk middel. Het is belangrijk dat vraagouder en gastouder deze zaken met elkaar bespreken en hierin afstemming vinden.
Grenzen geven duidelijkheid, waarbij rekening moet worden gehouden met de ontwikkeling van het kind. Een kind is een zich ontwikkelend wezen op ontdekkingstocht. Uitproberen en het tarten van regels en grenzen is dus normaal gezond gedrag. Het is aan volwassenen hierin consequent bij te sturen. Het nemen van een maatregel moet zoveel mogelijk zijn afgestemd op het straffen van ongewenst gedrag, waarbij lichamelijk geweld in alle vormen als ongewenst
wordt beschouwd, en het belonen van gewenst gedrag. Hierbij is het belangrijk te blijven herhalen en uitleggen.
2. Beleidsontwikkeling
De ontwikkeling van beleid vormt onderdeel van het overleg dat de coördinator maandelijks heeft met bemiddelingsmedewerkers, die vanuit hun werkveld mede input leveren voor de beleidsontwikkeling.
Het bestuur neemt door middel van toetsing en advisering deel aan het ontwikkelen van nieuw beleid.
Tevens kunnen de vraagouders en gastouders worden betrokken bij de beleidsontwikkeling door het vormen van één of meerdere werkgroepen.
De coördinator neemt deel aan een te vormen werkgroep, zodat de uitwisseling van informatie en betrokkenheid wederzijds optimaal kan zijn.
Voorbeelden voor dergelijke werkgroepen kunnen zijn:
• Werkgroep opvoeding en pedagogisch handelen.
• Werkgroep inspraak voor gastouders.
3. Bemiddelingsbeleid als randvoorwaarde van het pedagogisch beleid
Het bemiddelingsbeleid is één van de randvoorwaarden om de uitgangspunten van het pedagogisch beleid te realiseren en bestaat uit de volgende onderdelen: de Inschrijf- en Bemiddelingsprocedure en de klachtenprocedure.
3.1 Inschrijfprocedure
Het kritisch selecteren van gastouders is de eerste basis voor een goede bemiddeling. Tijdens de inschrijfprocedure (bijlage I) worden de pedagogische uitgangspunten aan de orde gesteld. Dit gebeurt onder meer tijdens het intakegesprek. Het intakegesprek vindt plaats bij de gastouder thuis, indien mogelijk in het bijzijn van huisgenoten van de gastouder.
In het intakegesprek komen onder meer ideeën over opvoeden en pedagogisch handelen aan de orde. Aan de hand van een vragenlijst, die gebaseerd is op de criteria voor gastouders, oppassen aan huis en opvanglocaties (bijlage 2) worden deze besproken en getoetst. Ook komen tijdens het intakegesprek zaken als hygiëne, motivatie, leeftijd, pedagogische kwaliteiten en de houding ten aanzien van kinderopvang aan de orde. Daarnaast is de startende gastouder verplicht deel te nemen aan de trainingsbijeenkomsten ten behoeve van deskundigheidsbevordering van de gastouder. Hierin worden alle pedagogische uitgangspunten van het bureau uitgewerkt, toegelicht en besproken. Ook zaken als grenzen stellen, straffen en belonen, veiligheid en hygiëne worden behandeld.
De woonsituatie wordt beoordeeld op kindveiligheid en kindvriendelijkheid. De veiligheid en gezondheid worden getoetst dmv een risico-inventarisatie. Bij kindvriendelijkheid van de woonsituatie wordt gekeken naar de mate waarin voldoende speelruimte, speelgoed en speeltoestellen aanwezig zijn om de motorische en sociale ontwikkeling van het kind te prikkelen en te stimuleren. Zowel de binnen- als buitenspeelruimte, het speelgoed en de speeltoestellen moeten zijn afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. De hoofdruimte van de locatie waar de opvang plaatsvindt (in veel gevallen de woonkamer van de gastouder)
dient minimaal 3,5 m2 netto speelruimte per kind te bieden (evt. eigen kinderen worden meegerekend).
De slaapruimte moet voldoen aan de eisen die in de risico-inventarisatie zijn opgenomen maar moet ook voldoende rust bieden. De ruimte waarin de kinderen slapen dient daarom afgezonderd te zijn van de speelruimte.
Om voldoende aandacht aan de kinderen te kunnen geven mogen gastouders niet meer dan vier kinderen jonger dan vier jaar tegelijkertijd, en niet meer dan twee kinderen jonger dan een jaar opvangen, de eigen kinderen van de gastouder niet meegerekend. Tevens geldt voor kinderen ouder dan vier jaar dat niet meer dan vier kinderen per gastoudergezin worden bemiddeld. Gestreefd wordt naar een evenwichtige leeftijdsopbouw, waarbij de leeftijd van de andere kinderen in het gastgezin zoveel mogelijk aansluit bij het op te vangen kind. Hierbij wordt rekening gehouden met de wensen van de vraagouder(s) en de samenstelling van het gastoudergezin.
3.2 Bemiddelingsprocedure
De bemiddeling vindt plaats conform de bemiddelingsprocedure (bijlage I), waarbij het op te vangen kind centraal staat.
Elke geslaagde bemiddeling heeft een proefperiode van twee maanden. Na afloop van de proefperiode vindt altijd een evaluatiegesprek gelegenheid om over de eerste ervaringen met de opvang en opvoeding te spreken.
3.3 Klachtenprocedure
Stichting OZIZO is aangesloten bij de Stichting Klachtencommissie Kinderopvang. Deze klachtencommissie waarborgt een onafhankelijke behandeling van uw klacht indien u hiermee onverhoopt zou worden geconfronteerd.
4. Ouderbeleid als randvoorwaarde van het pedagogisch beleid
Het ouderbeleid heeft als tweeledig doel zowel het beleid als de kwaliteit van het gastouderbureau de bewaken, om zo het pedagogisch beleid optimaal gestalte te geven.
Onderdeel van het ouderbeleid vormen de inspraak van gastouders en vraagouders, de communicatie tussen vraagouder, gastouder en het gastouderbureau en een tevredenheidsonderzoek.
4.1 Inspraak vraagouders en gastouders
Om invulling te geven aan de inspraak van vraagouders en gastouders wordt in het Stichtingbestuur een zetel beschikbaar gehouden voor een vraagouder en een gastouder. Daarnaast kunnen zowel vraagouders als gastouders deelnemen aan de te vormen werkgroepen. Op deze wijze kunnen vraagouders en gastouders actief invloed uitoefenen op het beleid van het bureau.
4.2 Communicatie tussen vraagouder, gastouder en gastouderbureau
De communicatie tussen vraagouder en gastouder vindt zowel informeel als formeel plaats. Gastouderbureau OZIZO hecht grote waarde aan een goede overdracht en overleg tussen ouder
en gastouder. Het bureau adviseert beide partijen regelmatig tijd te nemen voor een rustig gesprek om de opvang door te spreken en gebruik te maken van een overdrachtschriftje.
Na afloop van de proefperiode neemt het bureau het initiatief voor een evaluatiegesprek met de vraagouder en de gastouder. Vervolgens vindt jaarlijks een evaluatiegesprek plaats over de opvang, de organisatie en de gastouder met zowel de vraagouder en de gastouder.
Het bureau kent een dagelijks telefonisch spreekuur, waar zowel vraagouders als gastouders terecht kunnen voor een deskundig advies. Ook kunnen desgewenst tussentijds door de vraagouder en/of gastouder gesprekken worden aangevraagd. Bij klachten over de opvang bemiddelt het bureau desgevraagd tussen vraagouder en gastouder of verwijst indien van toepassing naar de klachtenprocedure.
Om de kwaliteit van de opvang verder te optimaliseren verzorgt het bureau relevante cursussen, trainingen en gespreksavonden voor gastouders.
4.3 Tevredenheidsonderzoek
Jaarlijks wordt onder de vraag- en gastouders aan de hand van een schriftelijke enquête een tevredenheidsonderzoek gehouden, waarin zaken met betrekking tot de opvang en organisatie worden geëvalueerd.
5. Protocollen kindermishandeling en seksueel misbruik
Stichting OZIZO hanteert protocollen ten aanzien van het handelen bij (vermoeden van) seksueel misbruik en kindermishandeling (bijlage III).
6. BIJLAGEN
Bijlage I
Inschrijf- en
Bemiddelingsprocedure
bijlage 1
INSCHRIJF- EN BEMIDDELINGSPROCEDURE
Intakegesprek
Nadat een aanmeldingsformulier is ontvangen, neemt een bemiddelingsmedewerker telefonisch contact met de gastouder/oppasouder op om een afspraak te maken voor een intakegesprek bij de gastouder thuis.
Het doel van dit gesprek is om een goed beeld te krijgen van de situatie en de wensen van de gastouder ten aanzien van de opvang. Dit gebeurt aan de hand van een standaard vragenlijst. Verder worden een risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid uitgevoerd.
Daarnaast zijn de vergoeding, regelingen voor ziekte en vakantie, wederzijdse verantwoordelijkheden en het pedagogisch beleid zaken die in het intakegesprek aan de orde komen.
Op basis van het intakegesprek wordt een overeenkomst tussen OZIZO en de gastouder/oppasouder opgesteld en ondertekend en wordt de bemiddelingsprocedure gestart.
Bemiddeling
De gegevens die vanuit het intakegesprek zijn vastgelegd vormen de basis voor het zoeken naar een geschikte vraagouder. De bemiddelingsmedewerker raadpleegt het bestand aan vraagouders of werft indien nodig een vraagouder die zoveel mogelijk aan de situatie en wensen van de gastouder/oppasouder tegemoet komt.
Wanneer een geschikte vraagouder is gevonden neemt de bemiddelingsmedewerker met zowel de gastouder/oppasouder als deze vraagouder telefonisch contact op. Wanneer het voorstel wederzijds als positief wordt beschouwd, maakt de bemiddelingsmedewerker een afspraak voor een
kennismakingsgesprek. De bemiddelingsmedewerker kan op verzoek van één van beide partijen hierbij aanwezig zijn.
Op basis van dit kennismakingsgesprek besluiten beide partijen of zij met elkaar willen gaan werken. Wanneer dit het geval is volgt een
bemiddelingsgesprek waarbij de bemiddelingsmedewerker aanwezig is.
Tijdens dit gesprek worden duidelijke afspraken gemaakt ten aanzien van zowel zakelijke als verzorgende aspecten, waarna een overeenkomst tussen vraagouder en gast- of oppasouder wordt opgesteld en ondertekend.
Evaluatie
Twee maanden nadat de opvang is gestart, vindt een evaluatiegesprek plaats met de gastouder/oppasouder en de vraagouder. De bemiddelingsmedewerker neemt hiertoe het initiatief.
Met elkaar wordt bekeken of de opvang naar wens verloopt en of de gemaakte afspraken in de praktijk werken. Na deze eerste evaluatie vindt jaarlijks een evaluatiegesprek plaats op initiatief van de bemiddelingsmedewerker. Wanneer één van beide partijen eerder of vaker behoefte heeft aan een evaluatiegesprek waarbij de bemiddelingsmedewerker aanwezig is, dan is dit uiteraard altijd mogelijk.
Aandachtspunten in de procedure
Hoewel het voor veel mensen heel vanzelfsprekend is, heeft gastouderopvang in de praktijk uiteraard wel consequenties voor de gastouder/oppasouder. Daarom wordt de gastouder/oppasouder tijdens de procedure gestimuleerd zaken van praktische en pedagogische aard in overweging te nemen en, indien van toepassing, te organiseren. Hierbij kan worden gedacht aan:
• De
woning van de gastouder moet geschikt zijn of worden gemaakt om kinderen op te vangen. Dit houdt in dat er, afhankelijk van de leeftijd van de kinderen die de gastouder wil opvangen, voldoende veilige speel-, slaap- en eetruimte aanwezig moet zijn. Ook is het, al dan niet onder begeleiding, buiten kunnen zijn en spelen voor een kind belangrijk.
• Hoe staan eventuele
huisgenoten tegenover het feit dat de gastouder kinderen in huis opvangt. Zijn zij op deze momenten zelf ook aanwezig thuis? Als de gastouder zelf kinderen thuis heeft zullen zij moeten leren aandacht, speelgoed en ruimte te delen met de gastkinderen.
• Het is belangrijk dat in de
contacten duidelijkheid voorop staat. Een goede vertrouwensrelatie kan alleen ontstaan als de gastouder of oppasouder en de vraagouder elkaars opvattingen kennen. Wat mag de vraagouder van de gastouder/oppasouder verwachten? Hoe kijkt de gastouder/oppasouder tegen het opvoeden van kinderen aan? Hoe staat de gastouder/oppasouder tegenover de verantwoordelijkheid tijdens de opvang van een kind? En, heel praktisch, welke afspraken maken vraagouder en gastouder/oppasouder met elkaar? De richtlijnen van OZIZO kunnen hierbij behulpzaam zijn.
Bijlage II
Criteria Gastouders,
oppassen aan huis
en opvanglocaties
EISEN GASTOUDERS
Minimaal middelbaar opleidingsniveau, bij voorkeur in pedagogische of verzorgende richting.
Bereid zijn tot samenwerking met het gastouderbureau en tot het volgen van aanvullende cursussen/trainingen /bijeenkomsten die gerelateerd zijn aan de opvangtaak.
Ervaring met kinderen, opgedaan in werksituatie of eigen kinderen.
Motivatie dient voort te komen uit liefde voor kinderen.
Minimumleeftijd 21 jaar, beschikken over levenservaring en overwicht.
In staat zijn met zowel kinderen als ouders op pedagogisch verantwoorde wijze te communiceren, in ieder geval in de Nederlandse taal.
Fysiek in staat zijn om kinderen te verzorgen. Geen beïnvloedende medicijnen gebruiken, niet roken tijdens de opvang.
Openstaan voor en respecteren van andere gewoontes, culturen, levenswijzen en opvoedingsideeën.
In staat zijn tot reflecteren op het eigen handelen.
Onderschrijven pedagogisch beleidsplan.
In staat zijn duidelijke huisregels te hanteren.
Opvolgen van hygiënische richtlijnen.
Kennis van EHBO voor kinderen (volgens eindtermen van het Oranje Kruis)
Respecteren van privacygevoelige gegevens en geen informatie doorspelen aan derden.
Kinderen niet alleen laten of het toezicht aan anderen overlaten, tenzij deze door het gastouderbureau zijn goedgekeurd en met toestemming van de ouders.
Regelmatig en gedurende minimaal een jaar beschikbaar zijn voor opvang.
In bezit van AVP-verzekering/inzittenden verzekering bij autogebruik.
Kunnen overleggen van verklaring omtrent het gedrag.
EISEN OPPASSEN AAN HUIS
Minimaal middelbaar opleidingsniveau, bij voorkeur in pedagogische of verzorgende richting.
Bereid zijn tot samenwerking met het gastouderbureau en tot het volgen van aanvullende cursussen/trainingen /bijeenkomsten die gerelateerd zijn aan de opvangtaak.
Ervaring met kinderen, opgedaan in werksituatie of eigen kinderen.
Motivatie dient voort te komen uit liefde voor kinderen.
Minimumleeftijd 21 jaar, beschikken over levenservaring en overwicht.
In staat zijn met zowel kinderen als ouders op pedagogisch verantwoorde wijze te communiceren, in ieder geval in de Nederlandse taal.
Fysiek in staat zijn om kinderen te verzorgen. Geen beïnvloedende medicijnen gebruiken, niet roken tijdens de opvang.
Openstaan voor en respecteren van andere gewoontes, culturen, levenswijzen en opvoedingsideeën.
In staat zijn tot reflecteren op het eigen handelen.
Onderschrijven pedagogisch beleidsplan.
In staat zijn de huisregels van de ouders te hanteren op zodanige wijze dat de kinderen en de ouders geen frictie ervaren.
Opvolgen van hygiënische richtlijnen.
Kennis van EHBO voor kinderen (volgens eindtermen van het Oranje Kruis)
Respecteren van privacygevoelige gegevens en geen informatie doorspelen aan derden.
Kinderen niet alleen laten of het toezicht aan anderen overlaten, tenzij deze door het gastouderbureau zijn goedgekeurd en met toestemming van de ouders.
Regelmatig en gedurende minimaal een jaar beschikbaar zijn voor opvang.
In bezit van AVP-verzekering/inzittenden verzekering bij autogebruik.
Kunnen overleggen van verklaring omtrent het gedrag.
EISEN OPVANGLOCATIES
Voldoen aan punten risicio-inventarisatie veiligheid.
Voldoen aan punten risicio-inventarisatie gezondheid.
Binnen voldoende speelruimte (minimaal 3,5 m2 netto speeloppervlak per kind).
Buiten voldoende speelruimte (veilige tuin met minimaal 3,5 m2 netto speeloppervlak per kind).
Binnenspeelgoed; verantwoord en veilig speelgoed m.b.t. psychische en fysieke ontwikkeling voor elke leeftijd waarin kinderen opgevangen worden.
Buitenspeelgoed en speeltoestellen; verantwoord(e) en veilig(e) speelgoed en speeltoestellen voor elke leeftijd waarin kinderen opgevangen worden.
Aparte, veilige en hygiënische slaapruimte(n) (zie r.i.’s).
Alleen afgezonderde en veilige huisdieren zijn toegestaan.
Bijlage III
Protocol
kindermishandeling
Inhoudsopgave
Pagina
Voorwoord
Achtergrondinformatie
Inleiding protocol
Definitie kindermishandeling en verschillende vormen van kindermishandeling
Verdeling verantwoordelijkheden
3 verschillende stappenschema's:
Stappenschema 1
de vraagouder heeft een vermoeden dat het kind in het gastgezin mishandeld wordt
Toelichting
Stappenschema 2:
de gastouder heeft een vermoeden dat het kind in de thuissituatie mishandeld wordt
Toelichting
Stappenschema 3
de bemiddelingsmedewerker krijgt een vermoeden tijdens een intake gesprek met een
aspirant gast- of vraagouder
Toelichting
Enkele andere mogelijkheden
Bijlagen
Informatie over Bureau Jeugdzorg en het Advies & Meldpunt Kindermishandeling (AMK)
Signalenlijst A. 0-4 jaar.....................................................................................................
Signalenlijst B. 4-12 jaar).............................................................................................
Observatieformulier
Aandachtpunten voor een gesprek met vraag- en gastouders bij zorgen over een kind
Aandachtspunten voor een gesprek met een kind
In gesprek met migranten
Omgaan met privacy
Meldrecht, meldplicht en zorgplicht
Sociale kaart
Invulblad sociale kaart
Verdere informatie
Literatuurlijst
Bronnen
Achtergrondinformatie
Kindermishandeling komt overal voor. Minstens 80.000 kinderen zijn per jaar slachtoffer van kindermishandeling. Tussen de 50 en 80 kinderen per jaar overlijden aan de gevolgen van kindermishandeling. Kindermishandeling is een ernstig probleem. Kinderen die mishandeld worden hebben recht op hulp. En liefst in een zo vroeg mogelijk stadium. De schade kan dan beperkt blijven.
Ook gastouderbureaus (GOB) dragen verantwoordelijkheid voor het signaleren van kindermishandeling en voor het ondernemen van actie na het signaleren. De signalen moeten worden doorgegeven aan de instanties die hulp kunnen bieden aan het gezin.
De gastouders kunnen hierin een duidelijke taak vervullen. Zij zien de kinderen regelmatig en kunnen opvallend of afwijkend gedrag signaleren. Nadat zij signalen hebben opgemerkt nemen zij contact op met de bemiddelingsmedewerker van het GOB. De bemiddelingsmedewerker steunt de ouders die de zorg over een kind uiten en geeft sturing aan de uitvoering van het protocol. De bemiddelingsmedewerker is er verantwoordelijk voor dat de signalen bij de juiste instantie terechtkomen. Dit betekent dat er enige deskundigheid moet zijn in het signaleren en in het omgaan met de signalen van kindermishandeling.
Dit protocol geeft de stappen aan die gezet kunnen worden in het proces van signaleren en handelen bij een vermoeden van kindermishandeling.
Inleiding protocol
Kindermishandeling is geen eenduidig begrip. Wat iemand kindermishandeling noemt, heeft te maken met eigen normen en waarden, de manier waarop men zelf is opgevoed en de cultuur waarin men leeft. Het is van belang onderscheid te maken tussen kindermishandeling en minder gewenste opvoedingssituaties. Iedere ouder maakt immers wel eens fouten, is onredelijk of driftig. Bij kindermishandeling is er echter sprake van structureel, stelselmatig, steeds terugkerend geweld of ontbreken van zorg van de ouder(s) naar zijn/haar kind(eren).
Dit protocol bevat drie verschillende stappenschema’s:
Te weten:
Stappenschema 1: de vraagouder heeft het vermoeden dat het kind in het gastgezin mishandeld wordt.
Stappenschema 2: de gastouder heeft het vermoeden dat het kind in zijn eigen gezin mishandeld wordt.
Stappenschema 3: de bemiddelingsmedewerker krijgt een vermoeden van kindermishandeling tijdens een intakegesprek met een (aspirant) gastouder.
En enkele andere mogelijkheden. Deze worden verderop in het protocol besproken.
Het is van belang om te onderzoeken op welke manier dit protocol past in de privacyregeling van de eigen organisatie.
De bemiddelingsmedewerker brengt bij het intakegesprek bij zowel aspirant vraag- als gastouders naar voren dat het GOB protocollen heeft ter preventie van kindermishandeling.
Definitie van kindermishandeling
Hieronder vallen ook verwaarlozing en onthouden van essentiële hulp, medische zorg en onderwijs en het getuige zijn van huiselijk geweld.
Kindermishandeling is elke vorm van bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of onvrijheid staat, actief of passief, opdringen waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek en/of psychisch letsel. Hieronder vallen ook verwaarlozing en onthouden van essentiële hulp, medische zorg en onderwijs, en het getuige zijn van huiselijk geweld. (definitie conform Wet op Jeugdzorg 2005)
Vormen van kindermishandeling:
Lichamelijk mishandeling
Er is sprake van lichamelijke mishandeling wanneer de ouders het kind verwonden.
Voorbeelden
: de ouder slaat en schopt het kind, de ouder brandt het kind met een sigaret.
Lichamelijke verwaarlozing
De opvoeder is niet in staat of bereid tot het verschaffen van minimale zorg t.a.v. de lichamelijke behoeften van een kind op één of meerdere gebieden: voeding, kleding, onderdak, bezoek aan arts en tandarts, hygiëne.
Voorbeelden
: de ouder zorgt niet voor eten voor de kinderen, het kind is vuil en heeft (langdurig en regelmatig) luizen, de ouder zorgt niet voor een geschikte slaapplaats voor het kind. Het kind komt altijd met vieze luiers en heeft ernstige luieruitslag.
Fysieke verwaarlozing/ onvoldoende fysiek toezicht
De ouders nemen geen geschikte maatregelen om de veiligheid van het kind binnen- en buitenshuis te verzekeren, afgestemd op de ontwikkelingsfase van het kind.
Voorbeelden
: een kind van 8 jaar wordt 's nachts vele uren alleen gelaten, de ouder laat het kind spelen op een zeer gevaarlijke plaats, de ouder laat het kind meegaan met iemand van wie bekend is dat hij andere kinderen heeft misbruikt.
Emotionele mishandeling
Vrijwel alle vormen van kindermishandeling brengen negatieve emotionele/psychologische boodschappen over naar het kind. De meeste gevallen die in deze categorie horen worden gekenmerkt door: aanhoudende of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind.
Voorbeelden
: de ouder kleineert het kind vaak, er is sprake van partnergeweld, de ouder geeft het kind de schuld van relatie problemen, de ouder staat geen vriendschap tussen leeftijdsgenootjes toe.
Kinderen die opgroeien in een gewelddadig gezin, voelen de spanning, horen de kreten, zien de verwondingen, willen tussenbeide springen en kunnen daardoor ernstige psychische schade oplopen. Die kinderen leven in constante angst.
Normatieve en educatieve mishandeling (morele corrumptering en schoolverzuim)
De verzorger vertoont gedrag waaruit blijkt dat hij/zij niet in staat is of bereid is, tot minimale zorg omtrent de socialisering van het kind, met inbegrip van de zorg voor geschikt onderwijs. De verzorger stelt het kind bloot aan of betrekt het kind in illegale praktijken; ziet niet toe dat het kind regelmatig naar school gaat.
Voorbeelden:
de verzorger houdt het kind vaak thuis, om op jongere kinderen te passen; de verzorger is ervan op de hoogte dat het kind zich inlaat met illegale praktijken maar grijpt niet in; de verzorger verkoopt drugs in het bijzijn van het kind; het kind wordt ingeschakeld bij de verkoop van drugs.
Seksueel misbruik
De verzorger heeft seksueel contact met het kind, probeert dit te hebben of laat het kind kijken naar, ter bevrediging van de seksuele gevoelens van de betrokken verzorger en/of uit geldelijk gewin.
Voorbeelden
: de verzorger laat het kind pornografisch materiaal zien, de verzorger betrekt het kind in wederzijdse masturbatie, de verzorger verkracht het kind.
Verdeling verantwoordelijkheden
Bij gebruik van dit protocol moet duidelijk zijn wie binnen de stichting waarvoor verantwoordelijk is.
Verantwoordelijkheden leidinggevende:
Opnemen van het protocol kindermishandeling in het kwaliteitsbeleid van de stichting.
Kennis hebben van de handelwijze volgens het protocol.
Overleggen met en steunen van de bemiddelingsmedewerker in het handelen volgens het protocol.
Zorg dragen voor voldoende deskundigheid bij medewerkers over signaleren en omgaan met (vermoedens van) kindermishandeling.
Eindverantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van het protocol.
Verantwoordelijkheden van de bemiddelingsmedewerker:
Herkennen van signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling.
Overleg plegen met de gastouder die de zorg heeft over een kind.
Indien nodig overleggen met andere beroepskrachten.
Kennis hebben van de handelwijze volgens het protocol.
Informeren van gast-, vraagouders over dit beleid.
Vaststellen van taken van een ieder (wie doet wat wanneer).
Zonodig contact op nemen met het AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling) voor advies of melding.
Waken over de veiligheid van het kind bij het nemen van beslissingen.
Toezien op zorgvuldige omgang met de privacy van het betreffende gezin.
Verslaglegging.
Afsluiten van het protocol.
Evalueren van de genomen stappen.
Bijhouden van de sociale kaart.
Verantwoordelijkheden van de gastouder:
Herkennen van signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling.
Overleg plegen met de bemiddelingsmedewerker bij zorg over een kind aan de hand van waargenomen signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling.
Uitvoeren van afspraken die zijn voortgekomen uit het overleg met de bemiddelingsmedewerker, zoals observeren of een gesprek met de ouders.
Bespreken van de resultaten van deze ondernomen stappen met de bemiddelingsmedewerker.
De directie, de bemiddelingsmedewerker en de gastouders zijn
niet verantwoordelijk voor:
Vaststellen of er al dan niet sprake is van kindermishandeling.
Verlenen van professionele hulp aan ouders of kinderen (begeleiding, therapie).
Stappenschema 1:
De vraagouder heeft een vermoeden dat het kind in het gastgezin wordt mishandeld
Fase 1: De vraagouder heeft een vermoeden
De vraagouder legt de waarnemingen (eventueel) aan de gastouder voor.
De vraagouder neemt contact op met de bemiddelingsmedewerker.
Verantwoordelijkheid bij de vraagouder.
Tijdslijn: zo snel mogelijk na een vermoeden.
Fase 2: De bemiddelingsmedewerker bespreekt het vermoeden
De bemiddelingsmedewerker overlegt met de leidinggevende.
Verantwoordelijkheid: bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: dezelfde dag als het vermoeden door de vraagouder is besproken met de bemiddelingsmedewerker.
Fase 3: Het uitvoeren van een plan van aanpak
De bemiddelingsmedewerker wint advies in bij het AMK.
De bemiddelingsmedewerker bespreekt met de gastouder zijn zorgen, eventueel samen met de vraagouder.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: binnen 1 week na het uitspreken van het vermoeden.
Fase 4: De beslissing
De vermoedens zijn na overleg niet bevestigd. De vermoedens bestaan niet meer. Bespreek dit met de vraagouders. Sluit de zaak af. Ga naar fase 6.
Na overleg blijft er twijfel bestaan. Ga naar fase 5.
Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na overleg gegrond. Ga naar fase 5.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: binnen 2 weken na het uitspreken van het vermoeden.
Fase 5: Handelen
De bemiddelingsmedewerker deelt aan de gastouder mee dat het kind niet meer komt en bespreekt de reden van het vertrek van het betreffende kind. Het kind wordt, indien mogelijk, in een ander gezin geplaatst.
De bemiddelingsmedewerker neemt contact op met de andere vraagouders uit het gastgezin.
De gastouder wordt uitgeschreven bij het GOB.
De bemiddelingsmedewerker meldt bij het AMK wanneer de gastouder ook eigen kinderen heeft.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: Binnen 3 weken na het uitspreken van het vermoeden
Fase 6: Evaluatie
Evalueer het proces en de procedures zoals het gegaan is.
Stel zonodig afspraken bij.
Registreer.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: Binnen 1 maand na het uitspreken van het vermoeder
Fase 7: Nazorg
Blijf alert op het welzijn van het kind/ de kinderen.
Geef zonodig extra ondersteuning aan de betrokken vraagouders en de gastouders.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: Gedurende tenmiste 1 jaar, minimaal 4 contactmomenten voor nazorg. Het eerste contactmoment voor nazorg binnen 2 maanden na het uitspreken van het vermoeden.
Wanneer de vraagouder vermoedt dat de eigen kinderen van de gastouder worden mishandeld, handel dan ook volgens het protocol.
Bij alle stappen die genomen worden dient de privacy van de betrokkenen zoveel mogelijk gewaarborgd te blijven.
Toelichting
Fase 1: De vraagouder heeft een vermoeden.
De vraagouder neemt contact op met de bemiddelingsmedewerker.
Kinderen die mishandeld worden, kunnen veel verschillende signalen laten zien. Deze signalen kunnen wijzen op kindermishandeling, maar kunnen ook een andere oorzaak hebben zoals een scheiding, geboorte van een broertje of zusje of een sterfgeval.
Bij signaleren gaat het in de eerste plaats om de zorg die de vraagouder heeft over zijn kind, waarvoor geen geruststellende verklaring gevonden wordt. Kindermishandeling is één van de mogelijke oorzaken.
Bespreek met de vraagouders de zorgen die zij hebben over hun kind(eren).
Als er signalen zijn die kunnen wijzen op kindermishandeling probeert u met gebruik van de signalenlijst en het observatieformulier (zie bijlage 3) de zorgen rond een kind duidelijker te krijgen.
Het is belangrijk dat bij het verhelderen van de vermoedens een onderscheid gemaakt wordt tussen objectieve gegevens en subjectieve gegevens. Onder objectieve gegevens wordt verstaan datgene wat u daadwerkelijk kunt zien, zoals een blauwe plek op een arm. Onder subjectieve gegevens wordt verstaan hoe u de gegevens interpreteert. Bijvoorbeeld het kind is geslagen.
Op het observatieformulier worden de objectieve gegevens vermeld. Het observatieformulier gaat het dossier in. Wanneer u behoefte heeft ook de subjectieve gegevens te noteren, doe dat dan in anonieme werkaantekeningen. Werkaantekeningen gaan het dossier niet in en zijn niet ter inzage van ouders. Ga zorgvuldig met werkaantekeningen om.
Let op: het is niet de taak van de vraagouder of de bemiddelingsmedewerker om speurwerk naar een dader te doen. Het is wel hun taak te komen tot een mogelijke onderbouwing van de zorgen die er zijn en de veiligheid van het kind te waarborgen.
Van belang is dat de vraagouders zich serieus genomen voelen in hun zorgen om hun kind.
Ondanks de zorgvuldigheid van het GOB kunnen de ouders vanuit hun zorgen om hun kind een ander traject kiezen, b.v. aangifte doen bij de politie.
Wanneer ouders zich niet serieus genomen voelen kunnen zij een klacht indienen.
Fase 2: De bemiddelingsmedewerker bespreekt het vermoeden.
Dit overleg dient als middel om het vermoeden te toetsen bij anderen, ter voorkoming van overhaast genomen emotionele beslissingen, maar ook om ruimte te geven aan eventuele emoties.
De bemiddelingsmedewerker overlegt met haar leidinggevende.
De bemiddelingsmedewerker bespreekt de objectieve en subjectieve gegevens die zij heeft gekregen van de vraagouder. Ze bespreekt of er redenen zijn waarom ze zich zorgen moet maken en of er redenen zijn om te denken aan kindermishandeling. Bij interpretatie van de informatie kan de signalenlijst een hulpmiddel zijn (zie bijlage 2).
De bemiddelingsmedewerker maakt samen met de leidinggevende een plan van aanpak om meer gegevens te verkrijgen.
Fase 3: Uitvoeren van het plan van aanpak.
De bemiddelingsmedewerker overlegt met het AMK.
Overleg met het AMK is in alle gevallen aan te raden. Het AMK biedt ondersteuning bij het interpreteren van signalen en bij het nadenken over de vervolgstappen die noodzakelijk zijn (zie bijlage 1 over de werkwijze van het AMK).
De bemiddelingsmedewerker spreekt, zonodig samen met de leidinggevende, met de gastouder. In dit gesprek worden de zorgen die zijn geuit door de vraagouder aan de hand van de objectieve en subjectieve gegevens besproken met de gastouder. Probeer in het gesprek een duidelijker beeld te vormen van de pedagogische kwaliteiten van de ouder en zoek naar onderbouwing van de zorgen (zie bijlage 4,6).
Fase 4: De beslissing.
De verdere aanpak is afhankelijk van de gegevens die uit fase 2 zijn gekomen.
Er zijn drie scenario’s mogelijk.
De vermoedens zijn na overleg niet bevestigd en de vermoedens bestaan ook niet meer.
Bespreek dit met de vraagouders en de gastouders.
De vraagouders kunnen vanuit de zorg voor hun kind een ander traject kiezen dan het GOB voorstelt aan de ouders en wat zij als organisatie doet.
Indien er geen vertrouwen meer is en de vraagouders het kind weg willen halen bij de gastouder kan het GOB ter ondersteuning van de gastouders en/of vraagouders het kind in een ander gastgezin plaatsen.
Sluit de zaak af en vernietig alle schriftelijke aantekeningen na registratie.
Na overleg blijft er twijfel bestaan.
U twijfelt of er sprake is van kindermishandeling. Het vermoeden hoeft niet bewezen te zijn! Echter vanuit de zorg voor de kinderen en voor de veiligheid van de kinderen gaat u naar fase 5.
Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na overleg gegrond.
U gaat over naar fase 5.
Fase 5: Handelen.
De bemiddelingsmedewerker neemt contact op met het AMK.
In overleg met het AMK kan besloten worden om tot melding over te gaan in verband met de eigen kinderen van het gastgezin. Dit wordt gedaan vanuit de visie dat kindermishandeling een gezinsbreed probleem is. Zeker wanneer uit het gesprek van de bemiddelingsmedewerker met de gastouder is gebleken dat zij de problemen niet erkennen en niet openstaan voor hulpverlening.
•
Vraagouders kunnen ook altijd zelf een melding doen bij het AMK.
•
Adviseer de ouders om zonodig contact op te nemen met Jeugdzorg voor ondersteuning en/of hulp.
•
Wanneer er een melding is gedaan bij het AMK wordt dit de vraagouders verteld.
•
Het verdient aanbeveling om ook aan de gastouders te vertellen dat er een melding gedaan gaat worden bij het AMK. Het AMK kan advies geven over het voeren van dit soort gesprekken. Hoewel dit een moeilijk gesprek is, is het van belang voor de eventuele verdere hulpverlening aan het kind/gezin. Ouders zijn sneller bereid problemen te erkennen en hulpverlening te aanvaarden wanneer er in alle openheid over gesproken wordt, zodat zij niet het gevoel hebben dat er zaken stiekem achter hun rug om gebeuren. Isolement houdt kindermishandeling in stand. Openheid kan het doorbreken.
De bemiddelingsmedewerker neemt contact op met de ouders van andere kinderen die in het gezin verblijven. Zij informeert de vraagouders dat deze ouders niet meer zijn opgenomen bij het GOB als gastgezin en overlegt over eventuele herplaatsing. Overleg vooraf met het AMK wat er tegen de andere ouders gezegd kan worden vanuit privacy overwegingen. Met name wanneer er sprake is van twijfel. Wanneer er sprake is van een duidelijke mishandelingsituatie gaat de bespreking van de mishandeling boven de privacy wetgeving. Maar laat u hierover vooraf informeren.
Wanneer een crisissituatie en/of een levensbedreigende situatie voor het kind ontstaat, belt u de politie of de crisisdienst van het bureau Jeugdzorg.
In de Wet op de jeugdzorg is het meldrecht vastgesteld. Dit betekent dat je wettelijk het recht hebt een melding te doen en daarbij ook alle relevante gegevens over te dragen aan het AMK. Het belang van het kind gaat hierbij vóór het belang van de privacy van het gezin (zie bijlage 8: meldrecht, meldplicht en zorgplicht).
Fase 6: Evaluatie.
De bemiddelingsmedewerker evalueert met de leidinggevende datgene wat er is gebeurd en de procedures die zijn gevolgd.
Zonodig wordt de zaak ook doorgesproken met andere betrokkenen, b.v. de vraagouders.
Zonodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.
Zorg ervoor dat geanonimiseerde gegevens m.b.t. het vermoeden van kindermishandeling worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard. De gegevens worden geregistreerd en bewaard om in kaart te kunnen brengen hoe vaak vermoedens van kindermishandeling binnen de gehele organisatie voorkomen en op welke wijze daarmee wordt omgegaan. Geregistreerde gegevens zijn belangrijk voor het maken van beleid of bijstelling van beleid binnen de instelling
Fase 7: Nazorg.
Blijf alert op het welzijn van het kind.
Wanneer het kind nog in het gastgezin verblijft of overgeplaatst is naar een ander gezin, onderhoudt de bemiddelingsmedewerker wat frequenter contact met de gast- en vraagouders om zicht te houden op het welzijn van het kind/ de kinderen.
Het op gang brengen van hulp in het gezin is de aanzet tot het verhelpen van de problemen. Het kost enige tijd voordat die hulp vruchten afwerpt.
De verantwoordelijkheid van het GOB in het kader van nazorg is:
Het bieden van een veilige plek aan het kind bij een gastouder.
De begeleiding bij het observeren van het kind.
De bereidheid tot het geven van informatie aan het AMK over het functioneren van het kind.
Het meedenken in overlegsituaties ten behoeve van hulpverlening aan het kind en de ouders.
Geef zonodig extra ondersteuning aan de betrokken vraagouders en de gastouder bij wie de vermoedens van kindermishandeling niet bevestigd werden.
Zonodig kunnen de ouders worden doorverwezen voor verdere hulp naar b.v. Bureau Jeudgzorg (zie bijlage 1voor de werkwijze van Bureau Jeugdzorg).
Als gebleken is dat de vermoedens niet voldoende onderbouwd konden worden en de zorgen zijn verdwenen, kunnen de werkaantekeningen worden vernietigd en kan het dossier met betrekking tot dit kind afgesloten worden.
Stappenschema 2:
De gastouder heeft een vermoeden dat het gastkind in zijn eigen gezin mishandeld wordt
Fase 1: De gastouder heeft een vermoeden
De gastouder observeert het kind en de interactie tussen ouder en kind tijdens het halen en brengen.
De gastouder legt de waarnemingen eventueel aan de vraagouder voor.
De gastouder neemt contact op met de bemiddelaar.
Verantwoordelijkheid bij de gastouder.
Tijdslijn: zo snel mogelijk
Fase 2: De bemiddelingsmedewerker bespreekt het vermoeden
De bemiddelingsmedewerker overlegt met een collega/leidinggevende.
Verantwoordelijkheid: bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: zelfde dag als het vermoeden door de gastouder is uitgesproken
Fase 3: Het uitvoeren van een plan van aanpak
De bemiddelingsmedewerker wint advies in bij het AMK.
De bemiddelingsmedewerker bespreekt met de vraagouder zijn zorgen, eventueel samen met de gastouder.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: binnen 1 week na het uitspreken van het vermoeden door de gastouder
Fase 4: De beslissing
De vermoedens zijn na overleg niet bevestigd. De vermoedens bestaan niet meer. Sluit de zaak af. Koppel dit terug aan de gastouder. Ga naar fase 6.
Na overleg blijft er ernstige twijfel bestaan. Ga naar fase 5.
Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na overleg gegrond. Ga naar fase 5.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: binnen 2 weken na het uitspreken van het vermoeden door de gastouder
Fase 5: Handelen
De bemiddelingsmedewerker spreekt opnieuw met de vraagouders om de zorgen te bespreken.
Wanneer de ouders de zorgen delen en bereid zijn tot hulpverlening, verwijst zij de ouders door.
Wanneer ouders de zorgen niet delen en/of geen hulpverlening willen aanvaarden neemt de bemiddelingsmedewerker contact op met het AMK voor een eventuele melding. Koppel dit terug aan de gastouders.
Zorg ervoor dat het gastgezin de veilige plek kan blijven voor het kind.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: binnen 3 weken na het uitspreken van het vermoeden door de gastouder
Fase 6: Evaluatie
Evalueer het proces en de procedures.
Stel zonodig afspraken en procedures bij.
Registreer de genomen stappen.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: binnen 1 maand na het uitspreken van het vermoeden door de gastouder
Fase 7: Nazorg
Blijf alert op het welzijn van het kind/de kinderen.
Geef zonodig extra ondersteuning aan de betrokken gastouders.
Neem opnieuw contact op met het AMK als er nieuwe signalen zijn.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker.
Tijdslijn: Gedurende tenmiste 1 jaar, minimaal 4 contactmomenten voor nazorg. Het eerste contactmoment voor nazorg binnen 2 maanden na het uitspreken van het vermoeden.
Bij alle stappen die genomen worden, dient de privacy van de betrokkenen zoveel mogelijk gewaarborgd te blijven.
Toelichting
Fase 1: De gastouder heeft een vermoeden.
De gastouder neemt contact op met de bemiddelingsmedewerker.
Kinderen die mishandeld worden, kunnen veel verschillende signalen laten zien. Deze signalen kunnen wijzen op kindermishandeling, maar kunnen ook een andere oorzaak hebben zoals een scheiding , een sterfgeval of de geboorte van een broertje of zusje.
Bij signaleren gaat het in de eerste plaats om de zorg die een gastouder en/of bemiddelingsmedewerker heeft over een kind, waarvoor geen geruststellende verklaring is. Kindermishandeling is één van de mogelijke oorzaken. Het is niet aan de bemiddelingsmedewerker of de gastouder om vast te stellen dat er sprake is van kindermishandeling. Het gaat om de zorgen die de ouders en u hebben over het kind. Meestal zullen mishandelde kinderen of degene die hen mishandelt niet uit zichzelf over de situatie vertellen. Het is nodig dat andere personen uit de omgeving van het kind de verantwoordelijkheid nemen om situaties van kindermishandeling bespreekbaar te maken of te stoppen.
Bespreek met de gastouder de zorgen die zij heeft over de gastkind(eren).
Als er signalen zijn die kunnen wijzen op kindermishandeling probeert u met gebruik van de signalenlijst en het observatieformulier (zie bijlage 2) de zorgen rond een kind duidelijker te krijgen.
Het is belangrijk dat bij het verhelderen van de vermoedens een onderscheid gemaakt wordt tussen objectieve gegevens en subjectieve gegevens. Onder objectieve gegevens wordt verstaan datgene wat u daadwerkelijk kunt zien, zoals een blauwe plek op een arm. Onder subjectieve gegevens wordt verstaan hoe u de gegevens interpreteert. Bijvoorbeeld het kind is geslagen.
Op het observatieformulier worden de objectieve gegevens vermeldt. Het observatieformulier gaat het dossier in. Wanneer er behoefte is ook de subjectieve gegevens te noteren, doe dat dan in anonieme werkaantekeningen. Werkaantekeningen gaan het dossier niet in en zijn niet ter inzage van ouders. Ga zorgvuldig met werkaantekeningen om.
Let op: het is niet de taak van een bemiddelingsmedewerker of gastouder om speurwerk naar een dader te doen. Het is wel uw taak te komen tot een onderbouwing van de zorgen die er zijn en de veiligheid van het kind te waarborgen.
Van belang is dat de gastouder zich serieus genomen voelt in de zorgen om het kind.
Wanneer de zorgen nog niet zo helder zijn, kan de gastouder het kind nog wat langer observeren en een gesprek aan gaan met het kind (zie bijlage 5). Spreek dan duidelijk een tijdslimiet af wanneer u weer bij elkaar komt.
Het is belangrijk dat op zeker moment besloten wordt tot ofwel actie ofwel afsluiten van de zaak. Vermijdt het risico dat een gezin jarenlang achtervolgd wordt door vage vermoedens en onduidelijkheden.
De taken van de gastouder blijven:
Een veilige plek bieden voor het kind.
Begeleiding en observatie van het kind.
In gesprek blijven met de ouders en het kind.
Fase 2: De bemiddelingsmedewerker bespreekt het vermoeden.
Dit overleg dient als middel om het vermoeden te toetsen bij anderen, ter voorkoming van overhaast genomen emotionele beslissingen, maar ook om ruimte te geven aan eventuele emoties.
De bemiddelingsmedewerker overlegt met de leidinggevende. De bemiddelingsmedewerker bespreekt de objectieve en subjectieve gegevens die zij heeft gekregen van de gastouder. Ze bespreekt of er redenen zijn waarover zij zich zorgen moet maken en/ of dat er redenen zijn om te denken aan kindermishandeling.
De bemiddelingsmedewerker en de leidinggevende maken samen een plan van aanpak om meer gegevens te verkrijgen.
Fase 3: Uitvoeren van het plan van aanpak.
De bemiddelingsmedewerker overlegt met het AMK. Overleg met het AMK is in alle gevallen aan te raden. Het AMK biedt ondersteuning bij het interpreteren van signalen en bij het nadenken over de vervolgstappen die noodzakelijk zijn (zie bijlage 1 over de werkwijze van het AMK). Het AMK kan ook om advies of ondersteuning gevraagd worden voor het gesprek met de ouders.
De bemiddelingsmedewerker gaat een gesprek aan met de vraagouder. Bespreek met de vraagouder de zorgen die zijn geuit door de gastouder aan de hand van de objectieve en subjectieve gegevens. Probeer in het gesprek een duidelijker beeld te vormen van de pedagogische kwaliteiten van de ouder en zoek naar onderbouwing van de zorgen. Dit gesprek kan samen met de gastouder of zonodig met de leidinggevende gebeuren.
Het gemeenschappelijke uitgangspunt van ouders en het GOB is het feit dat beide het beste voor hebben met het kind. Probeer ouders daarom niet te bekijken als vermoedelijke daders, maar als mogelijke medeslachtoffers in een vastgelopen
situatie, waarbij zij hulp nodig hebben. Kindermishandeling ontstaat meestal uit onmacht.
Maak, als dit mogelijk is, altijd een vervolgafspraak met de ouders. Dus ook wanneer de ouders de bezorgdheid over hun kind niet delen. Als ouders ook bezorgd zijn over het kind is er al veel gewonnen. Spreek met de ouders in dit of in een volgend gesprek af wat de volgende stap zal zijn (zie bijlage 4,6 over gesprekken met ouders).
Fase 4: De beslissing.
De verdere aanpak is afhankelijk van de gegevens die uit fase 2 naar voren zijn gekomen. Er zijn drie scenario’s mogelijk.
De vermoedens zijn na overleg niet bevestigd en de vermoedens bestaan ook niet meer.
Bespreek dit met de gastouders en de vraagouders.
Sluit de zaak af en vernietig alle schriftelijke aantekeningen na registratie.
Ga naar fase 6.
Na overleg blijft er twijfel bestaan.
U twijfelt of er sprake is van kindermishandeling. Het vermoeden hoeft niet bewezen te zijn! Echter vanuit de zorg voor de kinderen gaat u naar fase 5.
Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na overleg gegrond.
U gaat over naar fase 5.
Fase 5: Handelen.
De bemiddelingsmedewerker bespreekt de zorgen opnieuw met de ouders.
Verwijs ouders door wanneer de ouders de zorgen delen en bereid zijn om hulpverlening te aanvaarden (zie bijlage 9: Sociale kaart). Zorg er wel voor dat ouders die hulp krijgen die zij nodig hebben om ook daadwerkelijk bij Bureau Jeugdzorg binnen te komen. Bureau Jeugdzorg zal daarna bekijken welke hulp gewenst is.
Wanneer ouders de zorgen niet delen en/of niet bereid zijn tot aanvaarding van hulpverlening: neem opnieuw contact op met het AMK voor een eventuele melding.
Als er besloten is dat de vermoedens van kindermishandeling gemeld gaan worden bij het AMK wordt dit de gast- en zo mogelijk, ook de vraagouders verteld. AMK kan advies geven over het voeren van dit gesprek met de vraagouders. Hoewel dit een moeilijk gesprek is, is het van belang voor de eventuele verdere hulpverlening aan het kind/gezin. Ouders zijn sneller bereid problemen te erkennen en hulpverlening te aanvaarden wanneer er in alle openheid over gesproken wordt zodat zij niet het gevoel hebben dat er zaken stiekem achter hun rug om gebeuren. Isolement houdt kindermishandeling in stand. Openheid kan het doorbreken.
Wanneer het in het belang van het kind is om zonder medeweten van ouders te melden, dan is dit ook mogelijk.
Wanneer een crisissituatie en/of een levensbedreigende situatie voor het kind ontstaat, belt u de politie of de crisisdienst van het bureau Jeugdzorg.
Zorg ervoor dat het gastgezin de veilige plek kan blijven voor het kind.
In de Wet op de jeugdzorg (2004) is het meldrecht vastgesteld. Dit betekent dat je wettelijk het recht hebt een melding te doen en daarbij ook alle relevante gegevens over te dragen aan het AMK. Het belang van het kind gaat hierbij vóór het belang van de privacy van het gezin (zie bijlage 8 meldrecht, meldplicht en zorgplicht).
Fase 6: Evaluatie.
De bemiddelaar evalueert met een betrokken collega datgene wat er is gebeurd en de procedures die zijn gevolgd. Zonodig wordt de zaak ook doorgesproken met andere betrokkenen, b.v. de gastouders.
Zonodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.
Zorg ervoor dat geanonimiseerde gegevens m.b.t. het vermoeden van kindermishandeling worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard. De gegevens worden geregistreerd en bewaard om in kaart te kunnen brengen hoe vaak vermoedens van kindermishandeling binnen de gehele organisatie voorkomen en op welke wijze daarmee wordt omgegaan. Geregistreerde gegevens zijn belangrijk voor het maken van beleid of bijstelling van beleid binnen de instelling
Fase 7: Nazorg
Blijf alert op het welzijn van het kind.
Wanneer het kind nog in het gastgezin verblijft of overgeplaatst is naar een ander gezin onderhoudt u wat frequenter contact met de gast- en vraagouders om zicht te houden op het welzijn van het kind/ de kinderen.
Het op gang brengen van hulp in het gezin is de aanzet tot het verhelpen van de problemen. Het kost enige tijd voordat die hulp vruchten afwerpt.
De verantwoordelijkheid van het GOB in het kader van nazorg is:
Het bieden van een veilige plek aan het kind.
De begeleiding en het observeren van het kind.
De bereidheid tot het geven van informatie aan het AMK over het functioneren van het kind.
Het meedenken in overlegsituaties ten behoeve van hulpverlening aan het kind en de ouders.
Geef zonodig extra ondersteuning aan de betrokken vraagouders en de gastouder en neem opnieuw contact op met het AMK als er nieuwe signalen zijn.
Bijv. wanneer ouders hun kind zonder duidelijke reden plotseling uitschrijven.
Stappenschema 3
Een GOB bemiddelingsmedewerker krijgt een vermoeden van kindermishandeling tijdens een intakegesprek met een aspirant gast- of vraagouder
Fase 1: De bemiddelingsmedewerker krijgt een vermoeden van kindermishandeling
Bespreek open met de aspirant- gast of vraagouders de twijfel die bestaat over de pedagogische benadering van kinderen.
Overleg zonodig met een leidinggevende.
Verantwoordelijkheid bij de bemiddelingsmedewerker
Tijdsljin: dezelfde dag van het ontstaan van het vermoeden
Fase 2: Handelen
Wijs de ouders als gastouder af.
Neem contact op met het AMK wanneer er vermoedens van kindermishandeling zijn over de kinderen van de aspirant gastouders of de vraagouders.
Bespreek met de aspirant vraagouders de zorgen die u heeft en bekijk wat het GOB hierin kan betekenen door plaatsing van de kinderen.
Verantwoordelijkheid ligt bij de bemiddelingsmedewerker
Tijdslijn: binnen 1 week na het ontstaan van het vermoeden
Fase 3: Evaluatie
Evalueer het proces en de procedures.
Stel zonodig afspraken bij.
Registreer.
Verantwoordelijkheid ligt bij de bemiddelingsmedewerker
Tijdslijn: binnen 1 maand na het ontstaan van het vermoeden
Bij alle stappen die genomen worden dient de privacy van de betrokkenen zoveel mogelijk gewaarborgd te blijven.
Toelichting
Fase 1: De GOB bemiddelingsmedewerker krijgt een vermoeden van kindermishandeling.
Het signaleren van kindermishandeling of pedagogisch minder gewenste situaties begint vaak met een ‘niet-pluis’-gevoel. In een gesprek wat de bemiddelingsmedewerker heeft met aspirant- gast of vraagouders kan dat gaan spelen. Tijdens dat gesprek probeert zij dat onderbouwd te krijgen.
Fase 2: Handelen.
Bespreek de zorgen met de leidinggevende.
Wijs de ouders als gastouder af. De bemiddelingsmedewerker wijst de aspirant gastouders af wanneer zij een ‘niet-pluis’-gevoel heeft. Zo mogelijk kan zij, bij vage ‘niet-pluis’-gevoelens haar collega of leidinggevende nog een gesprek vragen te doen met de aspirant gastouder. Neem dan gezamenlijk een beslissing. Echter bij twijfel: wijs af.
Neem contact op met het AMK wanneer er vermoedens van kindermishandeling zijn over de kinderen van de aspirant gastouders of de vraagouders. Bespreek met de aspirant vraagouders de zorgen die u heeft en bekijk of ouders bereid zijn tot aanvaarding van hulpverlening, bespreek wat het GOB hierin kan betekenen door plaatsing van de kinderen. Hoewel dit een moeilijk gesprek is, is het van belang voor de eventuele verdere hulpverlening aan het kind/gezin. Ouders zijn sneller bereid problemen te erkennen en hulpverlening te aanvaarden wanneer er in alle openheid over gesproken wordt, zodat zij niet het gevoel hebben dat er zaken stiekem achter hun rug om gebeuren. Isolement houdt kindermishandeling in stand. Openheid kan het doorbreken.
Kindermishandeling is vaak een duidelijk signaal dat de draaglast van het gezin te groot is voor de draagkracht. Plaatsing van een kind kan als lastenverlichting ervaren worden. Daarnaast is dan veelal ook hulp voor de ouders elders nodig (zie bijlage 9: Sociale kaart).
Neem bij ernstige twijfel contact op met het AMK.
Fase 3: Evaluatie.
De bemiddelingsmedewerker evalueert met een betrokken collega datgene wat er is gebeurd en de procedures die zijn gevolgd. Zonodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.
Zorg ervoor dat geanonimiseerde gegevens m.b.t. het vermoeden van kindermishandeling worden geregistreerd. Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard. De gegevens worden geregistreerd en bewaard om in kaart te kunnen brengen hoe vaak vermoedens van kindermishandeling binnen de gehele organisatie voorkomen en op welke wijze daarmee wordt omgegaan. Geregistreerde gegevens zijn belangrijk voor het maken van beleid of bijstelling van beleid binnen de instelling.
Enkele andere mogelijkheden
Wanneer een medewerker van het GOB benaderd wordt door ex-vraagouders
over (een vermoeden van) kindermishandeling wat zich afgespeeld heeft in de tijd dat hun kind verbleef in een gastgezin; volg de procedure vanaf fase 2 in het stappenschema t.b.v. vraagouders.
Zonodig worden ook eventuele andere ex-vraagouders op de hoogte gesteld.
Adviseer de ex-vraag ouder contact op te nemen met het AMK. Samen met het AMK kan bekeken worden wat er eventueel gedaan kan/moet worden.
Wanneer het GOB benaderd wordt door derden
over een vermoeden van kindermishandeling in een gastgezin, dan wordt deze informant verwezen naar het AMK. De bemiddelingsmedewerker kan n.a.v. deze informatie wel extra alert zijn.
Wanneer de bemiddelingsmedewerker zich zorgen maakt over de eigen kinderen
in een gastgezin dan kan zij dit bespreken met de gastouders en de pedagogische kwaliteiten van het gastgezin opnieuw (wanneer dit geen intakegesprek betreft) beoordelen.
Volg dan het stappenschema 3.
Haal de gastkinderen uit het gastgezin en herplaats ze zonodig.
Bij alle stappen die genomen worden dient de privacy van de betrokkenen zoveel mogelijk gewaarborgd te blijven.
Bijlage 1
Informatie over Bureau Jeugdzorg en het Advies & Meldpunt Kindermishandeling (AMK)
Sinds januari 2003 is het AMK opgenomen als onderdeel van Bureau Jeugdzorg. Op dit moment kunnen Bureau Jeugdzorg en het AMK echter afzonderlijk van elkaar benaderd worden. De wijze van aanmelding is nu als volgt.
Werkwijze Bureau Jeugdzorg
Bureau Jeugdzorg biedt informatie, advies, begeleiding en hulp aan jongeren tot 18 jaar en hun ouders en/of verzorgers, beroepskrachten of andere betrokkenen op psychosociaal of opvoedkundig gebied. Daarnaast is Bureau Jeugdzorg de toegang tot de geïndiceerde jeugdhulpverlening en zorgt het indien nodig voor een adequate doorverwijzing naar andere vormen van zorg.
Wanneer men zich als beroepskracht/overleggroep zorgen maakt over een kind of jongere kan men hem/haar en/of de ouders doorverwijzen naar Bureau Jeugdzorg als de ouders zelf hulp willen. Indien uit de aanmelding blijkt dat er een hulpvraag is, volgt een screening. In dit gesprek wordt samen met de cliënt bekeken wat de problemen zijn en wat de hulpvraag is. Van dit gesprek wordt een verslag gemaakt. Het screeningsverslag wordt intern besproken in een muldisciplinair team. Hier wordt beoordeeld welke hulp nodig is. Er wordt een advies gegeven over het vervolgtraject. Dit advies wordt met de cliënt besproken.
Wanneer er geen vrijwillige hulpverlening op gang komt, wordt besproken met de beroepskracht/overleggroep hoe de jongere het beste geholpen kan worden en of een onderzoek door het AMK of de Raad voor de Kinderbescherming nodig is.
Werkwijze AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling)
Het AMK streeft ernaar zo laagdrempelig mogelijk te werken en kan telefonisch benaderd worden door allerlei mensen die zich zorgen maken over de situatie van bepaalde kinderen. Dit kunnen mensen zijn die beroepshalve met kinderen te maken hebben, maar ook buren of familieleden. Voor beroepsbeoefenaren, zoals leerkrachten, huisartsen en jgz-medewerkers, is het mogelijk om anoniem te melden. Via het AMK wordt de naam van de melder dan niet bekend gemaakt bij het kind, diens gezin of derden.
Na een telefonisch contact zijn er drie mogelijkheden:
Advies
Hierbij worden geen gegevens geregistreerd over het betreffende kind of gezin. Het AMK komt niet in actie in de richting van cliënten.
Consult
Ook dit richt zich op degene die belt. Het consult richt zich op het uitvoeren van een advies. De consultvrager wordt begeleid in de, op advies van het AMK, te nemen acties. Er wordt geen actie ondernomen door het AMK richting cliënt en er worden geen gegevens over cliënten geregistreerd. Er kan wel een dossier op naam van de consultvrager worden aangelegd.
Melding
Hierbij neemt het AMK alle gegevens op over het kind of het gezin waar melding over wordt gemaakt. Hierop volgt intern een intakeoverleg waarbij een vertrouwensarts aanwezig is. In dit overleg wordt besloten of het AMK verantwoordelijkheid moet nemen voor de gemelde situatie. De melder krijgt bericht of de zaak is aangenomen en of het AMK verantwoordelijkheid neemt. Uitgangspunt bij een melding is om zo min mogelijk buiten de ouders/verzorgers om te opereren en zo snel mogelijk contact te leggen met hen zelf (binnen vier tot zes weken). Alleen indien het belang van het kind zich hiertegen verzet wordt dit contact uitgesteld en in eerste instantie huisarts, school e.d. benaderd.
Adviezen en hulp door Bureau Jeugdzorg en AMK zijn gratis.
Bijlage 2
A. Signalenlijst kindermishandeling 0- tot 4-jarigen
Voorwoord
Als kinderen mishandeld, verwaarloosd en/of misbruikt worden, kunnen ze signalen uitzenden. Het gebruik van een signalenlijst kan zinvol zijn, maar biedt ook een zekere mate van schijnzekerheid. De meeste signalen zijn namelijk stressindicato-ren, die aangeven dat er iets met het kind aan de hand is. Dit kan ook iets anders zijn dan kindermishandeling (echtscheiding, overlijden van een familielid, enz.). Hoe meer signalen van deze lijst een kind te zien geeft, hoe groter de kans dat er sprake zou kunnen zijn van kindermishandeling.
Het is niet de bedoeling om aan de hand van een signalenlijst het 'bewijs' te leveren van de mishandeling. Het is wel mogelijk om een vermoeden van mishandeling meer te onderbouwen naarmate er meer signalen uit deze lijst geconstateerd worden. Een goed beargumenteerd vermoeden is voldoende om in actie te komen! Om na signalering een volgende stap te kunnen zetten, is het aan te bevelen dat een instelling beschikt over een handleiding ten aanzien van kindermishandeling. De signalenlijst kan dan als bijlage aan de handleiding worden toegevoegd.
De signalen die in deze lijst vermeld worden, hebben betrekking op alle vormen van mishandeling. Aan het einde van de lijst zijn nog enkele signalen opgenomen die meer specifiek zijn voor seksueel misbruik. Om een duidelijk beeld te krijgen van wat er aan de hand zou kunnen zijn, is het van belang de hele context van het gezin erbij te betrekken. Daarom worden ook een aantal signalen van ouders en gezin genoemd.
U kunt ook altijd overleggen met het AMK over signalen die u zorgen baren, bijvoorbeeld blauwe plekken op vreemde plaatsen.
1. Psycho-sociale signalen
Ontwikkelingsstoornissen
• achterblijven in taal-, spraak-, motorische, emotionele en/of cognitieve ontwikke-ling
• schijnbare achterstand in verstandelijk ontwikkeling
• regressief gedrag
• niet zindelijk op leeftijd waarvan men het verwacht
Relationele problemen
ten opzichte van de ouders
:
• totale onderwerping aan de wensen van de ouders
• sterk afhankelijk gedrag ten opzichte van de ouders
• onverschilligheid ten opzichte van de ouders
• kind is bang voor ouder
• kind vertoont heel ander gedrag als ouders in de buurt zijn
ten opzichte van andere volwassenen
:
• bij oppakken houdt het kind zich opvallend stijf
• bevriezing bij lichamelijk contact
• allemansvriend
• lege blik in ogen en vermijden van oogcontact
• waakzaam, wantrouwend.
ten opzichte van andere kinderen
:
• speelt niet met andere kinderen
• is niet geliefd bij andere kinderen
• wantrouwend
• terugtrekken in eigen fantasiewereld.
Gedragsproblemen
• plotselinge gedragsverandering
• geen of nauwelijks spontaan spel, geen interesse in spel
• labiel, nerveus
• depressief
• angstig
• passief, in zichzelf gekeerd, meegaand, apathisch, lusteloos
• agressief
• hyperactief
• niet lachen, niet huilen
• niet tonen van gevoelens, zelfs niet bij lichamelijke pijn
• eetproblemen
• slaapstoornissen
• vermoeidheid, lusteloosheid
2. Medische signalen
Lichamelijke kenmerken (specifiek voor lichamelijke mishandeling)
• blauwe plekken
• krab-, bijt- of brandwonden
• botbreuken
• littekens
Voedingsproblemen
• ondervoeding
• voedingsproblemen bij baby's:
• steeds wisselen van voeding
• veel spugen
• matig groeien, ondanks voldoende hoeveelheid voeding
• weigeren van voeding
• achterblijven in lengtegroei
Verzorgingsproblemen
• slechte hygiëne
• ernstige luieruitslag
• onvoldoende kleding
• onvoldoende geneeskundige en tandheelkundige zorg
• veel ongevallen door onvoldoende toezicht
• herhaalde ziekenhuisopnamen
• recidiverende ziekten door onvoldoende zorg
• traag herstel door onvoldoende zorg
3. Kenmerken ouders/gezin
Ouder/kind relatiestoornis
• ouder draagt kind als een 'postpakketje'
• ouder troost kind niet bij huilen
• ouder klaagt overmatig over het kind
• ouder heeft irreële verwachtingen ten aanzien van het kind
• ouder toont weinig belangstelling voor het kind
Signalen ouder
• geweld in eigen verleden
• apathisch en (schijnbaar) onverschillig
• onzeker, nerveus en gespannen
• onderkoeld brengen van eigen emoties
• negatief zelfbeeld
• steeds naar andere artsen/ziekenhuizen gaan ('shopping')
• afspraken niet nakomen
• kind opeens van peuterspeelzaal/kinderdagverblijf afhalen
• aangeven het bijna niet meer aan te kunnen
• ouder met psychiatrische problemen
• verslaafde ouder
Gezinskenmerken
• ‘multi-problem’ gezin
• ouder die er alleen voorstaat
• regelmatig wisselende samenstelling van gezin
• isolement
•
vaak verhuizen
• sociaal-economische problemen: werkloosheid, slechte behuizing, migratie, etc.
• veel ziekte in het gezin
• draaglast gezin gaat draagkracht te boven
• geweld wordt gezien als middel om problemen op te lossen
4. Signalen specifiek voor seksueel misbruik
Lichamelijke kenmerken
• verwondingen aan genitaliën
• vaginale infecties en afscheiding
• jeuk bij vagina en/of anus
• problemen bij het plassen
• recidiverende urineweginfecties
• pijn in de bovenbenen
• pijn bij lopen en/of zitten
• seksueel overdraagbare ziekten
Relationele problemen
• angst voor mannen of vrouwen in het algemeen of voor een man of vrouw in het bijzonder
Gedragsproblemen
afwijkend seksueel gedrag
:
• excessief en/of dwangmatig masturberen
• angst voor lichamelijk contact of juist zoeken van seksueel getint lichamelijk contact
• niet leeftijdsadequaat seksueel spel
• niet leeftijdsadequate kennis van seksualiteit
• angst om zich uit te kleden
• angst om op de rug te liggen
• negatief lichaamsbeeld: ontevredenheid over, boosheid op of schaamte voor eigen lichaam
• schrikken bij aangeraakt worden
• houterige motoriek (onderlichaam 'op slot')
• geen plezier in bewegingsspel.
5. Signalen die specifiek zijn voor kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld
Gedragsproblemen
•
agressie: kopiëren van gewelddadig gedrag van vader (sommige kinderen, m.n. jongens kopiëren hun vaders gedrag door hun moeder of jongere broertjes/zusjes te slaan
• opstandigheid
• angst
•
negatief zelfbeeld
• passiviteit en teruggetrokkenheid
• zichzelf beschuldigen
• verlegenheid
Problemen in sociaal gedrag en competentie
• wantrouwen ten aanzien van de omgeving
• gebrek aan sociale vaardigheden
Schoolproblemen
• moeite met concentreren
• overcompenseren (opvallend extra inzet op school)
Bijlage 2
B. Signalenlijst kindermishandeling 4-12 jaar
Deze signalenlijst is bestemd voor mensen die beroepshalve te maken hebben met kinderen van 4-12 jaar.
Als kinderen mishandeld, verwaarloosd
en/of misbruikt worden, kunnen ze signalen uitzenden. Het gebruik van een signalenlijst kan zinvol zijn, maar biedt ook een zekere mate van schijnzekerheid. De meeste signalen zijn namelijk stressindicatoren, die aangeven dat er iets met het kind aan de hand is. Dit kan ook iets anders zijn dan kindermishandeling (echtscheiding, overlijden van een familielid, enz.). Hoe meer signalen van deze lijst een kind te zien geeft, hoe groter de kans dat er sprake zou kunnen zijn van kindermishandeling.
Het is niet de bedoeling om aan de hand van een signalenlijst het 'bewijs' te leveren van de mishandeling. Het is wel mogelijk om een vermoeden van mishandeling meer te onderbouwen naarmate er meer signalen uit deze lijst geconstateerd worden. Een goed beargumenteerd vermoeden is voldoende om in actie te komen! Om na signalering een volgende stap te kunnen zetten, is het aan te bevelen dat een school of instelling beschikt over een protocol ten aanzien van kindermishandeling. De signalenlijst kan dan als bijlage aan het protocol worden toegevoegd.
De signalen die in deze lijst vermeld worden, hebben betrekking op alle vormen van mishandeling (lichamelijke en psychische mishandeling, lichamelijke en psychische verwaarlozing en seksueel misbruik). Aan het einde van de lijst zijn nog enkele signalen opgenomen die meer specifiek zijn voor seksueel misbruik. Om een duidelijk beeld te krijgen van wat er aan de hand zou kunnen zijn, is het van belang de hele context van het gezin erbij te betrekken. Daarom worden ook een aantal signalen van ouders en gezin genoemd.
1. Psycho-sociale signalen
Ontwikkelingsstoornissen
• achterblijven in taal-, spraak-, motorische, emotionele en/of cognitieve ontwikkeling
• schijnbare achterstand in verstandelijke ontwikkeling
•
regressief gedrag
• niet zindelijk
Relationele problemen
ten opzichte van de ouders:
• totale onderwerping aan de wensen van de ouders
• sterk afhankelijk gedrag ten opzichte van de ouders
• onverschilligheid ten opzichte van de ouders
• kind is bang voor ouder
• kind vertoont heel ander gedrag als ouders in de buurt zijn.
ten opzichte van andere volwassenen
:
• bevriezing bij lichamelijk contact
• allemansvriend
• lege blik in de ogen en vermijden van oogcontact.
• waakzaam, wantrouwend.
ten opzichte van andere kinderen:
• speelt niet met andere kinderen
• is niet geliefd bij andere kinderen
• wantrouwend
• terugtrekken in eigen fantasiewereld.
Gedragsproblemen
plotselinge gedragsverandering
labiel, nerveus gespannen
depressief
angstig
passief, in zichzelf gekeerd, meegaand, apathisch, lusteloos
agressief
hyperactief
destructief
geen of nauwelijks spontaal spel, geen interesse in spel
vermoeidheid, lusteloosheid
niet huilen, niet lachen
niet tonen van gevoelens, zelfs niet bij lichamelijke pijn
schuld- en schaamtegevoelens
zelfverwondend gedrag
eetproblemen
anorexia / boulimia
slaapstoornissen
bedplassen / broekpoepen.
2. Medische signalen
Lichamelijke kenmerken (specifiek voor lichamelijke mishandeling)
blauwe plekken
krab-, bijt- of brandwonden
botbreuken
littekens
Verzorgingsproblemen (specifiek voor verwaarlozing)
slechte hygiëne
onvoldoende kleding
onvoldoende geneeskundige en tandheelkundige zorg
veel ongevallen door onvoldoende toezicht
herhaalde ziekenhuisopnamen
recidiverende ziekten door onvoldoende zorg
traag herstel door onvoldoende zorg.
Overige medische signalen
• ondervoeding
• achterblijven in lengtegroei
• psychosomatische klachten (buikpijn, misselijkheid, hoofdpijn, etc.).
3. Kenmerken ouders / gezin
Ouder/kind relatiestoornis
•
ouder troost kind niet bij huilen
•
ouder klaagt overmatig over het kind
•
ouder heeft irreële verwachtingen ten aanzien van het kind
•
ouder toont weinig belangstelling voor het kind
Signalen ouder
•
geweld in eigen verleden
•
apathisch en (schijnbaar) onverschillig
•
onzeker, nerveus en gespannen
•
onderkoeld brengen van eigen emoties
•
negatief zelfbeeld
•
steeds naar andere artsen/ziekenhuizen gaan ('shopping')
•
afspraken niet nakomen
•
kind opeens van school halen
•
aangeven het bijna niet meer aan te kunnen
•
ouder met psychiatrische problemen
verslaafde ouder
Gezinskenmerken
• ‘multi-problem' gezin
• ouder die er alleen voorstaat
• regelmatig wisselende samenstelling van gezin
• isolement
• vaak verhuizen
• sociaal-economische problemen: werkloosheid, slechte behuizing, migratie, etc.
• veel ziekte in het gezin
• draaglast gezin gaat draagkracht te boven
• geweld wordt gezien als middel om problemen op te lossen
4. Specifieke signalen bij seksueel misbruik
Lichamelijke kenmerken
•
verwondingen aan genitaliën
•
vaginale infecties en afscheiding
•
jeuk bij vagina en/of anus
•
problemen bij het plassen
•
recidiverende urineweginfecties
•
pijn in de bovenbenen
•
pijn bij lopen en/of zitten
•
seksueel overdraagbare ziekten
Relationele problemen
•
angst voor mannen of vrouwen in het algemeen of voor een man of vrouw in het bijzonder
•
sterk verzorgend gedrag, niet passend bij de leeftijd van het kind (parentificatie)
Gedragsproblemen
•
afwijkend seksueel gedrag
•
excessief en/of dwangmatig masturberen
•
angst voor lichamelijk contact of juist zoeken van seksueel getint lichamelijk contact
•
seksueel agressief en dwingend gedrag ten opzichte van andere kinderen
•
niet leeftijdsadequaat seksueel spel
•
niet leeftijdsadequate kennis van seksualiteit
•
angst voor zwangerschap
•
angst om zich uit te kleden
•
angst om op de rug te liggen
•
negatief lichaamsbeeld: ontevredenheid over, boosheid op of schaamte voor eigen lichaam
•
schrikken bij aangeraakt worden
•
houterige motoriek (onderlichaam 'op slot')
•
geen plezier in bewegingsspel
5. Signalen die specifiek zijn voor kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld
Gedragsproblemen
•
agressie: kopiëren van gewelddadig gedrag van vader (sommige kinderen, m.n. jongens kopiëren hun vaders gedrag door hun moeder of jongere broertjes/zusjes te slaan
•
alcohol- of drugsgebruik
•
opstandigheid
•
angst
•
depressie
•
negatief zelfbeeld
•
passiviteit en teruggetrokkenheid
•
zichzelf beschuldigen
•
verlegenheid
•
suïcidaliteit
Problemen in sociaal gedrag en competentie
•
sociaal isolement: proberen thuissituatie geheim te houden en ondertussen aansluiting te vinden met leeftijdsgenoten (zonder ze mee naar huis te nemen)
•
wantrouwen ten aanzien van de omgeving
•
gebrek aan sociale vaardigheden
Schoolproblemen
• schooluitval
• moeite met concentreren
• overcompenseren (opvallend extra inzet op school).
Bijlage 3
Observatieformulier
|
Bij een vermoeden van kindermishandeling ga je eerst deze vragenlijst na om erachter te komen of je ongerustheid gegrond is.
Jongen/meisje |
|
Geboortedatum |
|
Naam gastouder |
|
Sinds wanneer is het kind in de opvang? |
|
Sinds wanneer vertoont het kind opvallend gedrag? |
|
Beschrijf het opvallende gedrag. |
|
Hoe is het contact met andere kinderen in het gezin? |
|
Hoe is het contact met volwassenen? |
|
Hoe is de uiterlijke verzorging van het kind? |
|
Hoe is de algehele ontwikkeling van het kind (verstandelijk, sociaal, |